De CRvB heeft 3 belangrijke uitspraken gedaan over het recht op bijstand bij een beroep op het Chavez-Vilchez arrest.[1] Deze uitspraken beantwoorden onder meer vragen die bij mij opkwamen naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in 2021.[2] In die uitspraak oordeelde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat het rechtmatig verblijf gedurende een aanvraag om verblijfsrecht op grond van het Chavez-Vilchez-arrest, kan worden gebaseerd op artikel 8 aanhef en onder e van de Vw 2000. Onderwerp van discussie was wat hiervan het gevolg voor het recht op bijstand was.
Ik destilleer 3 belangrijke vragen waarop de CRvB nu een antwoord geeft.
Arrest Chavez-Vilchez
Maar eerst even een stapje terug. Wat bedoel ik in deze context met het arrest Chavez-Vilchez? Dit is een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie op basis waarvan mensen zonder de nationaliteit van een EU-burger (derdelander), toch een van het EU-recht afgeleid verblijfsrecht kunnen krijgen. Dit kan in de situatie dat de derdelander een kind met de nationaliteit van een EU-lidstaat heeft. Dat heeft er mee te maken dat moet worden voorkomen dat het kind met de nationaliteit van een EU-lidstaat wordt gedwongen om het EU-grondgebied te verlaten omdat diens ouder het verblijfsrecht wordt geweigerd. Het kind zou daarmee het effectieve genot van de essentie van de rechten van artikel 20 VWEU[3] ontzegd.[4]
Voor een geslaagd beroep op het arrest Chavez-Vilchez is onder andere van belang dat tussen belanghebbende en het kind een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat het kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de EU te verlaten als aan belanghebbende een verblijfsrecht wordt geweigerd. Als een derdelander op deze manier alsnog rechtmatig kan verblijven, is sprake van een van artikel 20 VWEU afgeleid verblijfsrecht. De criteria voor de beoordeling volgen uit het arrest Chavez-Vilchez. Ik verwijs hiervoor naar de noot van mr. André Pepers en ondergetekende in NBJ-PW 2017/18 bij Europese Hof van Justitie 10-05-2017, ECLI:EU:C:2017:354. De criteria zijn verwerkt in 2.5 Vreemdelingencirculaire 2000 (B).[5]
Welke 3 rechtsvragen behandelt de CRvB?
In de CRvB-uitspraken worden naar mijn mening 3 interessante rechtsvragen behandeld:
- Moet het college beoordelen of belanghebbende een van artikel 20 VWEU afgeleid verblijfsrecht kan ontlenen als belanghebbende zich beroept op het arrest Chavez-Vilchez?
- Kan een belanghebbende vanwege het enkele feit dat hij vanwege een lopende aanvraag voor verblijfsrecht op grond van het arrest Chavez-Vilchez procedureel verblijfsrecht heeft op grond van artikel 8 aanhef en onder e Vw 2000, aan een Nederlander worden gelijkgesteld en daarmee in aanmerking komen voor bijstandsverlening?
- Kan een belanghebbende met een Nederlander worden gelijkgesteld als hij in een bezwaarprocedure zit tegen de afwijzing van de aanvraag om verblijfsrecht op grond van het arrest Chavez-Vilchez en verblijfsrecht heeft op grond van artikel 8 aanhef en onder h Vw 2000?
Deze vraagstukken bespreek ik hierna.
Vraagstuk 1. Moet het college beoordelen of belanghebbende een van artikel 20 VWEU afgeleid verblijfsrecht kan ontlenen als belanghebbende zich beroept op het arrest Chavez-Vilchez?
Zodra een derdelander stelt dat hij een afgeleid verblijfsrecht heeft omdat hij voldoet aan de criteria van arrest Chavez-Vilchez, moet het college onderzoeken of belanghebbende aan het EU-recht een verblijfsrecht kan ontlenen. De IND gaat weliswaar over het verblijfsrecht. Maar toch is het aan het college om - in overleg met de IND – te onderzoeken of de derdelander een aan artikel 20 VWEU afgeleid verblijfsrecht kan ontlenen. Het college moet hierbij inhoudelijk de criteria uit arrest Chavez-Vilchez toetsen. Dus onder andere beoordelen of sprake is van een afhankelijkheidsrelatie tussen de ouder en het kind.
Het college moet ook een inhoudelijk beoordeling doen als belanghebbende bij de IND een procedure heeft lopen over zijn verblijfsrecht. Dit is alleen anders als de IND heeft vastgesteld dat belanghebbende in de te beoordelen periode geen rechtmatig verblijf heeft op grond van het EU-recht en dit besluit in rechte onaantastbaar is geworden.[6]
Heeft de IND bijvoorbeeld de aanvraag om verblijfsrecht afgewezen maar loopt er nog bezwaar of beroep? Dan staat de afwijzing nog niet in rechte vast. Het college moet in overleg met de IND inhoudelijk toetsen of belanghebbende voldoet aan de criteria uit het Chavez-Vilchez arrest.[7] Het besluit is namelijk niet in rechte onaantastbaar. Daarbij lijkt het me wel dat het college en de IND bij de toetsing rekening houden met de redenen van afwijzing van de aanvraag door de IND, voor zover de omstandigheden niet zijn veranderd.
Een inhoudelijke toetsing is ook aan de orde als het besluit van de IND niet ziet op de periode die voor de bijstandsverlening moet worden beoordeeld. Of als na de afwijzing van de aanvraag om verblijfsrecht nieuwe aanvragen om verblijfsrecht op grond van Chavez-Vilchez waarover nog niet is besloten of het besluit nog niet in rechte vaststaat.[8]
Afhankelijkheidsrelatie
Moet inhoudelijk worden getoetst aan de voorwaarden van het arrest Chavez-Vilchez? Dan is het onder meer van belang om te beoordelen of tussen het kind en de derdelander een daadwerkelijke afhankelijkheidsverhouding bestaat.
Bij die beoordeling moet worden beoordeeld:
- heeft de derdelander het daadwerkelijk gezag over het kind?
- rust de wettelijke, financiële of affectieve last op de derdelander?
- heeft de derdelander de daadwerkelijke zorg over het kind?
- wat is de leeftijd van het kind?
- wat is de lichamelijke en emotionele ontwikkeling van het kind?
- wat is de mate van zijn affectieve relatie met de ouder die Unieburger is en die met de ouder die derdelander is?
- wat is het risico voor de innerlijke balans van het kind als het van de derdelander zou worden gescheiden?
Dat de aanwezigheid van beide ouders wenselijk en bevorderlijk is voor de ontwikkeling van een kind is op zichzelf onvoldoende voor het aantonen van een afhankelijkheidsrelatie. In de 3 CRvB-uitspraken leidt inhoudelijke toetsing tot de conclusie dat geen sprake is van een daadwerkelijke afhankelijkheidsrelatie.
Vraagstuk 2. Kan een belanghebbende vanwege het enkele feit dat hij vanwege een lopende aanvraag voor verblijfsrecht op grond van het arrest Chavez-Vilchez procedureel verblijfsrecht heeft op grond van artikel 8 aanhef en onder e Vw 2000, met een Nederlander worden gelijkgesteld en daarmee in aanmerking komen voor bijstandsverlening?
Als een derdelander een aanvraag doet om verblijfsrecht op grond van het arrest Chavez-Vilchez verblijft de derdelander rechtmatig in Nederland. In de 3 uitspraken van de CRvB komt de vraag aan de orde of dit rechtmatig verblijf, aanspraak op bijstand oplevert. De CRvB toetst of een belanghebbende kan worden gelijkgesteld met een Nederlander op grond van artikel 11 Participatiewet.
Om het verblijfsrecht tijdens de toetsing van de aanvraag om verblijfsrecht te duiden, moet ik wijzen op Afdeling bestuursrechtspraak RvS 12-11-2021, ECLI:NL:RVS:2021:2530 met noot van ondergetekende in NBJ-PW 2021/25. In deze uitspraak oordeelt de ABRvS dat er rechtmatig verblijf bestaat tijdens een aanvraag voor verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan voor een derdelander die zich beroept op arrest Chavez Vilchez. Een andere uitleg zou namelijk feitelijk afbreuk doen aan de bescherming van het kind met de nationaliteit van een EU-lidstaat. Er bestaat immers mogelijk een afhankelijkheidsrelatie. Het toegekende verblijfsrecht is tijdens de toetsing van de aanvraag, een procedureel rechtmatig verblijf.
Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak volgt dat het rechtmatig verblijf gedurende de aanvraag om toetsing aan EU-recht, kan worden gebaseerd op artikel 8 aanhef en onder e van de Vw 2000. Is het enkele feit dat het verblijfsrecht is gebaseerd op artikel 8 aanhef en onder e van de Vw 2000 voldoende om gelijk te worden gesteld met een Nederlander ingevolge artikel 11 lid 2 Participatiewet? Of gaat die vlieger niet op omdat sprake is van procedureel rechtmatig verblijf zonder dat zeker is dat een belanghebbende ook echt voldoet aan de criteria van het arrest Chavez-Vilchez?
In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak nam de Afdeling een voorschot op deze vraag: “De Afdeling overweegt ten overvloede dat het feit dat het indienen van een aanvraag tot procedureel rechtmatig verblijf leidt onverlet laat dat bestuursorganen en rechters in het kader van hun bevoegdheden ook buiten verblijfsprocedures zoals in procedures over financiële aanspraken, moeten beoordelen of een vreemdeling materieel gezien aanspraak heeft op een verblijfsrecht”. Dit wierp de vraag op hoe de CRvB hier specifiek in het geval van de Participatiewet naar zou kijken.
In de 3 uitspraken van de CRvB beantwoordt de CRvB deze vraag. Het enkele feit dat iemand procedureel rechtmatig verblijf heeft tijdens de aanvraagprocedure (toetsing aan EU-recht) maakt niet dat hij gelijkgesteld is met een Nederlander op grond van artikel 11 lid 2 Participatiewet. Ook al is dit procedureel rechtmatig verblijf gebaseerd op artikel 8 aanhef en onder e van de Vw 2000. Zie rechtsoverweging 4.5.8: “(…) aldus moet worden uitgelegd dat de vreemdeling die onderdaan is van een derde land en die een verblijfsrecht heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw 2000, voor de toepassing van de PW slechts met een Nederlander kan worden gelijkgesteld als hij materieel aan de voorwaarden voldoet voor een verblijfsrecht op grond van het Unierecht en dus toelating heeft. Een uitsluitend procedureel verblijfsrecht op grond van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw 2000 (“code 30”) leidt er dus niet toe dat een dergelijke vreemdeling voor toepassing van de PW met een Nederlander wordt gelijkgesteld.”
Conclusie is dus dat procedureel rechtmatig verblijf tijdens een aanvraag van een derdelander om verblijfsrecht op grond van het arrest Chavez-Vilchez er niet toe leidt dat de derdelander met een Nederlander is gelijkgesteld en in aanmerking komt voor bijstandsverlening. Maar een belanghebbende kan wel gelijkgesteld zijn aan een Nederlander als hij materieel voldoet aan de criteria uit het arrest Chavez-Vilchez. Dit is dus de beoordeling zoals ik in deze annotatie heb beschreven onder ‘Vraagstuk 1. Moet het college beoordelen of belanghebbende een van artikel 20 VWEU afgeleid verblijfsrecht kan ontlenen als belanghebbende zich beroept op het arrest Chavez-Vilchez?’.
Nuttige werking EU-recht
Doorkruist het gegeven dat procedureel rechtmatig verblijf tijdens de aanvraag om verblijfsrecht op grond van het arrest Chavez-Vilchez niet automatisch leidt tot een gelijkstelling met een Nederlander, de nuttige werking van artikel 20 VWEU? Nee, zegt de CRvB. Het enkele feit dat een derdelander geen bijstand krijgt in dit geval, betekent niet dat hij feitelijk gedwongen was het EU-grondgebied verlaten. En daarom zijn kind met de nationaliteit van een EU-lidstaat ook niet. Waarom? Bij het procedurele verblijfsrecht van de derdelander was arbeid vrij toegestaan. De derdelander had met werken in zijn levensonderhoud kunnen voorzien. Lukt dit niet? Dan is bijstandsverlening niet aan de orde. Zelfs niet bij zeer dringende redenen. Artikel 16 lid 2 Participatiewet verbiedt namelijk bijstandsverlening (ook al is sprake van zeer dringende redenen) aan mensen die volgens artikel 11 lid 2 en 3 Participatiewet niet zijn gelijkgesteld met een Nederlander. In die situatie moet een andere oplossing worden gezocht. In de 3 CRvB-uitspraken heeft de derdelander verblijf in een noodopvang gekregen. Daarmee is geen afbreuk gedaan aan de nuttige werking van artikel 20 VWEU.
Vraagstuk 3. Kan een belanghebbende met een Nederlander worden gelijkgesteld als hij in een bezwaarprocedure zit tegen de afwijzing van de aanvraag om verblijfsrecht op grond van het arrest Chavez-Vilchez en verblijfsrecht heeft op grond van artikel 8 aanhef en onder h Vw 2000?
Tijdens het bezwaar tegen de afwijzing van de aanvraag om verblijfsrecht op grond van het arrest Chavez-Vilchez is de derdelander niet gelijkgesteld met een Nederlander. Er bestaat weliswaar rechtmatig verblijf op grond van artikel 8 aanhef en onder h Vw 2000. Maar die grond leidt alleen tot gelijkstelling met een Nederlander als bezwaar of beroep is ingesteld tegen een besluit tot intrekking van die toelating, totdat op die aanvraag, dat bezwaar of dat beroep is beslist. In dit geval is geen sprake geweest van een eerdere toelating of rechtmatig verblijf (anders dan procedureel verblijf). Zie artikel 11 lid 3 Participatiewet in combinatie met artikel 1 Besluit gelijkstelling vreemdelingen Participatiewet, IOAW en IOAZ.
Conclusie
De CRvB heeft duidelijkheid gegeven. Procedureel verblijfsrecht tijdens een aanvraag voor verblijfsrecht op grond van het arrest Chavez-Vilchez, levert op zichzelf geen gelijkstelling op met een Nederlander voor het recht op bijstand. Betekent dit dat het college in zo’n situatie een aanvraag om bijstand voetstoots kan afwijzen omdat belanghebbende niet is gelijkgesteld met een Nederlander?
Nee, het college moet inhoudelijk aan de hand van de criteria van het arrest Chavez-Vilchez – in overleg met de IND - toetsen of belanghebbende een van het EU-recht afgeleid verblijfsrecht heeft. Uit dat onderzoek kan wel of niet volgen dat belanghebbende materieel voldoet aan de voorwaarden voor een van het EU-recht afgeleid verblijfsrecht. Voldoet een belanghebbende, dan komt hij in aanmerking voor bijstandsverlening.
Een inhoudelijke toets aan de hand van de criteria van het arrest Chavez-Vilchez is alleen niet aan de orde als over de periode in geding al een besluit van de IND ligt dat in rechte onaantastbaar is en er in die periode geen nieuwe aanvragen om verblijfsrecht op grond van Chavez-Vilchez lopen. Dan kan het college wel de bijstand afwijzen omdat belanghebbende niet is gelijkgesteld met een Nederlander in verband met het besluit van de IND dat in rechte onaantastbaar is.
Voetnoten
[1] Naast de onderhavige uitspraak gaat het om CRvB 25-2-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:455 en CRvB 25-2-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:456.
[2] Zie Afdeling bestuursrechtspraak RvS 12-11-2021, ECLI:NL:RVS:2021:2530 met noot van ondergetekende in NBJ-PW 2021/25.
[3] Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
[4] Zie Europese Hof van Justitie 10-05-2017, ECLI:EU:C:2017:354 met noot van mr. André Pepers en ondergetekende in NBJ-PW 2017/18.
[5] Ter illustratie: in de 3 uitspraken van de CRvB staat dat de aanwezigheid van beide ouders wenselijk en bevorderlijk is voor de ontwikkeling van een kind is op zichzelf onvoldoende is voor het aantonen van een afhankelijkheidsrelatie.
[6] In CRvB 25-2-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:456 speelde dit: “De aanvraag van 25 juni 2018 om toetsing aan het EU-recht is afgewezen. Dit besluit is met de uitspraak van de Afdeling van 27 mei 2020 in rechte onaantastbaar geworden. Hiermee staat vast dat appellant in periode 1 geen afgeleid verblijfsrecht had op grond van artikel 20 van het VWEU.” Dus als de IND afwijzend heeft beslist en hierover ook geen procedure meer loopt, staat hiermee vast dat belanghebbende geen aan het EU-recht afgeleid verblijfsrecht heeft.
[7] Zie bijvoorbeeld CRvB 25-2-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:456: “De procedures over de aanvragen van appellant om toetsing aan EU-recht waren in de periodes 2 en 3 nog niet afgerond en hebben ook later niet tot (erkenning van) een verblijfsrecht voor appellant over deze periodes geleid. Het college heeft terecht geoordeeld dat appellant ook in deze periodes geen afgeleid verblijfsrecht had op grond van artikel 20 van het VWEU. Er was in de te beoordelen periodes geen sprake van een afhankelijkheidsverhouding als bedoeld in 4.4.1.”
[8] Zie bijvoorbeeld CRvB 25-2-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:455.