Jaargang 14 - nr. 18, 30 augustus 2017

Nieuwsbrief Jurisprudentie Participatiewet

Inleiding

Via deze nieuwsbrief informeren we u iedere twee weken gratis over actuele ontwikkelingen in de Participatiewet-jurisprudentie. Daarbij zijn een of meerdere uitspraken voorzien van een samenvatting en een deskundig commentaar (noot, annotatie). Van de overige uitspraken geven we de rechtsregels weer.

Alle uitspraken die in deze nieuwsbrief verschijnen, worden tevens verwerkt in Schulinck Grip op Participatiewet.

De lengte van deze nieuwsbrief varieert al naargelang het aanbod van rechterlijke uitspraken.

Heeft u commentaar of suggesties, neem dan contact met ons op. Onze adresgegevens staan in het colofon aan het einde van deze nieuwsbrief. Let op! Reacties die gestuurd worden naar nieuwsbrief@schulinck.nl worden niet gelezen door Schulinck.

Wilt u meer weten over Schulinck Grip op Participatiewet, lees dan de productinformatie op onze website.

Naar boven


Europese Hof van Justitie 10-05-2017, nr. C‑133/15 (arrest Chavez Vilchez) (met noot mr. Lance op den Camp en mr. André Pepers)

Trefwoorden

Chavez Vilchez, ruiz zambrano, Dereci, vreemdelingenrecht, afgeleid verblijfsrecht, kinderen, derdelander, afhankelijkheidsverhouding

Samenvatting

In alle geschillen gaat het om moeders zonder een verblijfstitel in Nederland met één of meer kinderen die wél de Nederlandse nationaliteit bezitten. De vaders bezitten de Nederlandse nationaliteit. De moeders komen van buiten de Europese Unie. De kinderen woonden hoofdzakelijk bij de moeder. Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 20 VWEU. Dit verzoek is ingediend in het kader van de afwijzing van de aanvragen van de belanghebbenden voor een bijstandsuitkering en kinderbijslag op grond dat zij in Nederland geen verblijfsrecht hadden.
Het Europese Hof van Justitie verklaart voor recht:

  1. Voor de beoordeling of een kind (burger van de Europese Unie) genoodzaakt is het EU-grondgebied te verlaten - en hem daarmee het effectieve genot van de essentie van de rechten die artikel 20 VWEU hem verleent zal worden ontzegd - als zijn ouder (derdelander) een verblijfsrecht in de betrokken EU-lidstaat werd geweigerd, is de omstandigheid dat de andere ouder (EU-burger) daadwerkelijk alleen de dagelijkse daadwerkelijke zorg voor het kind kan en wil dragen, een relevant gegeven. Maar dat gegeven volstaat niet om te kunnen vaststellen dat er tussen de ouder (derdelander) en het kind niet een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat het kind in geval van een dergelijke weigering het EU-grondgebied zou moeten verlaten. Om tot een dergelijke vaststelling te komen moeten - in het hogere belang van het kind - alle betrokken omstandigheden in de beschouwing worden betrokken. Het gaat dan meer in het bijzonder om de leeftijd van het kind, zijn lichamelijke en emotionele ontwikkeling, de mate van zijn affectieve relatie zowel met de ouder die EU-burger is als met de ouder die derdelander is, evenals het risico dat voor het evenwicht van het kind zou ontstaan indien het van deze laatste ouder zou worden gescheiden.
  2. Een lidstaat kan aan het verblijfsrecht op zijn grondgebied van een derdelander, ouder van een minderjarig kind met de nationaliteit van een EU-lidstaat, voor wie hij dagelijks daadwerkelijk zorgt, de verplichting verbinden dat die derdelander de gegevens verschaft die aantonen dat het kind het EU-grondgebied moet verlaten als de de derdelander een verblijfsrecht wordt geweigerd. Het is echter aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat om aan de hand van de door de onderdaan van een derde land verschafte gegevens het nodige onderzoek te doen teneinde, gelet op alle omstandigheden van het geval, te kunnen beoordelen of een weigering dergelijke gevolgen zou hebben.

Noot (mr. Lance op den Camp en mr. André Pepers)

Het arrest Chavez-Vilchez van het Europese Hof van Justitie (hierna: Hof) van 10-05-2017, nr. C-133/15 (ECLI:EU:C:2017:354) trekt de lijn van eerdere arresten van het Hof door en noemt de criteria op grond waarvan de ouder, die de nationaliteit bezit van een derde land en die de zorg heeft voor een kind met de nationaliteit van een lidstaat, niet gedwongen kan worden met het kind het grondgebied van de EU te verlaten. De ouder/derdelander die aan de hieronder te noemen voorwaarden voldoet, heeft rechten die afgeleid zijn van de rechten van het kind dat de nationaliteit van een lidstaat heeft. Voor de Nederlandse situatie houdt dit in dat een alleenstaande ouder die de daadwerkelijke zorg heeft over een kind met de Nederlandse nationaliteit onder omstandigheden rechtmatig verblijf heeft in Nederland en dus recht op bijvoorbeeld bijstand en kinderbijslag. Hieronder schetsen wij eerst de ontwikkelingen tot aan het arrest Chavez-Vilchez en gaan daarna nader in op de criteria met betrekking tot de afhankelijkheidsrelatie tussen het kind en de ouder/derdelander.

De arresten Ruiz Zambrano en Dereci
Het draait allemaal om de uitleg van artikel 20 lid 1 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Iedereen die de nationaliteit heeft van een lidstaat van de EU is daarnaast tevens burger van de EU zelf. Aan het Unieburgerschap worden belangrijke rechten ontleend. In het arrest Ruiz Zambrano van het Hof van 08-03-2011, nr. C-34/09 (ECLI:EU:C:2011:124) besliste het Hof dat het effectieve genot van de belangrijkste aan de status van Unieburger ontleende rechten niet door nationale maatregelen van een lidstaat mogen worden ontzegd. Dat is volgens het Hof aan de orde in de situatie dat het kind dat de nationaliteit van een lidstaat heeft, feitelijk verplicht wordt samen met zijn ouder/derdelander de lidstaat (en de EU als geheel) te verlaten vanwege de onmogelijkheid om over voldoende bestaansmiddelen te beschikken. In het arrest Dereci (Hof 15-11-2011, nr. C-256/11, ECLI:EU:C:2011:734) heeft het Hof geoordeeld dat aan de staatsburger van een derde land geen verblijfsrecht kan worden ontzegd als anders de nuttige werking aan het burgerschap van de EU zou worden ontnomen aan zijn familielid die wel staatsburger is van een lidstaat van de EU. Voorwaarde is dat het toekennen van het verblijfsrecht aan de ouder/derdelander noodzakelijk moet zijn om te voorkomen dat de burger van de EU (het kind) feitelijk genoodzaakt zal worden het grondgebied van de EU te verlaten. Artikel 20 lid 1 VWEU biedt geen grondslag voor het toekennen van het verblijfsrecht aan de ouder/derdelander als dit slechts wenselijk is, bijvoorbeeld om economische redenen of om de eenheid van de familie op het grondgebied van de EU te bewaren.

Uitspraak van de Rechtbank Arnhem in het kader van de bijstand
Rechtbank Arnhem heeft in het kader van de bijstandswetgeving een beroep op het Ruiz Zambrano-arrest van het Hof gehonoreerd (zie Rechtbank Arnhem 10-07-2012, nr. AWB 11/5567, ECLI:NL:RBARN:2012:BX3418 met noot mr. André Pepers). Hier betrof het een belanghebbende, alleenstaande ouder van Venezolaanse nationaliteit, die de zorg had over een kind met de Nederlandse nationaliteit. Het kind was door de Nederlandse vader erkend. De vader onttrok zich echter aan de zorg voor het kind. Hierdoor stond de moeder van het kind, alleenstaande ouder/derdelander, er alleen voor. De rechtbank oordeelde dat in deze situatie aan belanghebbende en haar kind tezamen een zodanige uitkering moest worden verstrekt dat zij over voldoende bestaansmiddelen beschikten om te voorzien in hun eigen onderhoud. De rechtbank oordeelde dat belanghebbende, ook al was zij derdelander, gelijk moest worden gesteld met een rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdeling als bedoeld in artikel 11 lid 2 WWB.

De rechtspraak in het kader van de kinderbijslag
De CRvB heeft in vergelijkbare uitspraken van 17-12-2012 in het kader van de kinderbijslag geoordeeld dat voor de alleenstaande ouder/derdelander uit artikel 20 VWEU een rechtstreeks verblijfsrecht voortvloeit, dat is afgeleid van het verblijfsrecht van het kind als een situatie als bedoeld in de genoemde arresten van het Hof zich voordoet. Als dat het geval is, dan kan de ouder niet worden tegengeworpen niet rechtmatig in Nederland te verblijven en om die reden niet verzekerd te zijn voor de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). Zie CRvB 17-12-2012, nr. 10/4069 AKW (ECLI:NL:CRVB:2012:BY5173), CRvB 17-12-2012, nrs. 09/5380 AKW e.a. (ECLI:NL:CRVB:2012:BY6416) en CRvB 17-12-2012, nrs. 09/6110 AKW e.a. (ECLI:NL:CRVB:2012:BY6418). Tegen deze uitspraken van de CRvB zijn cassatieberoepen ingediend bij de Hoge Raad (HR). Zie ECLI:NL:HR:2014:277. De HR deelt de visie van de CRvB en oordeelt dat, nu sprake is van een verblijfsrecht dat rechtstreeks uit de VWEU voortvloeit, voor het bestaan van het verblijfsrecht geen beslissing van de IND tot het verlenen van een verblijfsvergunning vereist is. Het is zelfs niet vereist dat de IND een document afgeeft. Een dergelijk document bevestigt immers slechts het bestaan van het al aanwezige recht. De alleenstaande ouder/derdelander die aan de voorwaarden voldoet heeft rechtmatig verblijf op grond van artikel 8 onderdeel e Vreemdelingenwet 2000, dus als gemeenschapsonderdaan.

Het arrest Chavez Vilchez
Het arrest Chavez Vilchez (Hof 10-05-2017, nr. C‑133/15, ECLI:EU:C:2017:354) trekt de lijn van de arresten Ruiz Zambrano en Dereci door. In de casussen in het Chavez Vilchez arrest gaat het telkens om een derdelander, moeder van en belast met de zorg over een kind met de Nederlandse nationaliteit waarbij de vader van dat kind de Nederlandse nationaliteit heeft en in beeld is. In beeld wil zeggen dat er een vader is, de vader en moeder niet samenwonen en de vader stelt niet voor het kind te kunnen zorgen. 

Maar hoe moet er worden gehandeld als er een andere ouder is met de Nederlandse nationaliteit die mogelijk wel voor het kind kan zorgen? Nederlandse bestuursorganen stonden een restrictieve uitleg van het Ruiz Zambrano arrest voor. De rechtspraak van het Hof werd slechts geldig geacht als de ouder met de Nederlandse nationaliteit naar objectieve maatstaven niet in staat is voor het kind te zorgen. Denk aan detentie, opname in een inrichting of kliniek, overlijden of de situatie waarin de derdelander aannemelijk maakt dat dat de vader anderszins niet in staat is voor het kind te zorgen (zie de Vreemdelingencirculaire 2000). Het Hof oordeelt in het Chavez Vilchez arrest dat dit te kort door de bocht is. Het enkele feit dat de Nederlandse ouder de zorg voor het kind op zich zou kunnen nemen, maakt nog niet dat de ouder/derdelander het verblijfsrecht daarmee automatisch geweigerd kan worden. Meer omstandigheden zijn van belang.

Het Hof spreekt over een afhankelijkheidsverhouding waaraan moet worden getoetst. De afhankelijkheidsverhouding tussen de (jonge) EU-burger en diens ouder die derdelander is, kan het nuttige effect van het EU-burgerschap teniet doen als het kind genoodzaakt is het EU-grondgebied te verlaten omdat zijn ouder - die derdelander is - het verblijfsrecht wordt geweigerd. Daarbij wijst het Hof erop dat de colleges in het kader van die beoordeling rekening moeten houden met het recht op eerbiediging van het gezinsleven zoals dat is neergelegd in artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het hogere belang van het kind zoals neergelegd in artikel 24 lid 2 van dat handvest ("Bij alle handelingen in verband met kinderen, ongeacht of deze worden verricht door overheidsinstanties of particuliere instellingen, vormen de belangen van het kind een essentiële overweging”). 

Alle van belang zijnde omstandigheden moet worden betrokken bij het oordeel of sprake is van een afhankelijkheidsverhouding tussen de ouder/derdelander en het kind met de Nederlandse nationaliteit. Het gaat dan volgens het Hof in het bijzonder om:

  • de omstandigheid dat de ouder met de nationaliteit van een EU-lidstaat daadwerkelijk alleen de dagelijkse daadwerkelijke zorg voor het kind kan en wil dragen;
  • de leeftijd van het kind;
  • de lichamelijke en emotionele ontwikkeling van het kind;
  • de mate van zijn affectieve relatie zowel met de ouder die EU-burger is als de ouder die derdelander is; en
  • het risico dat voor het evenwicht van het kind zou ontstaan indien het van de ouder die derdelander is, zou worden gescheiden.

Hoe dit precies moet worden gewogen blijkt niet uit de uitspraak van het Hof maar duidelijk is wel dat het hogere belang van het kind in acht moet worden genomen. Scheiding van ouder en kind middels het weigeren van een verblijfsrecht aan de ouder/derdelander, kan dus niet zomaar en snel worden gevergd. 

Bewijslast
In het Chavez Vilchez arrest spreekt het Hof zich ook uit over de bewijslast verdeling tussen enerzijds de derdelander en anderzijds de Nederlandse overheid. De derdelander moet gegevens verschaffen die aantonen dat indien hem verblijfsrecht wordt geweigerd het kind genoodzaakt is het EU-grondgebied te verlaten. De Nederlandse autoriteit moet aan de hand van de verschafte gegevens het nodige onderzoek doen om te kunnen beoordelen of een weigering dergelijke gevolgen zou hebben. In de praktijk betekent dit naar onze mening dat het college in overleg moet treden met de IND over het afgeleide verblijfsrecht van de derdelander en op basis daarvan een besluit moet nemen over het recht op bijstand. De eerder aangehaalde uitspraken over de kinderbijslag bevestigen dit (zie bijvoorbeeld CRvB 17-12-2012, nrs. 09/6110 e.a., ECLI:NL:CRVB:2012:BY6418): “Het ligt dan ook op de weg van de Svb, belast met de uitvoering van de AKW, om, aan de hand van door appellante verstrekte en zo nodig alsnog te verstrekken informatie, in overleg met de staatssecretaris genoegzaam te onderzoeken of appellante aan artikel 20 van het VWEU een verblijfsrecht hier te lande kan ontlenen.” 

Recht op bijstand
Uit de hier aangehaalde arresten van het Hof moet worden afgeleid dat een derdelander onder bijzondere omstandigheden een van zijn kind/EU-burger afgeleid verblijfsrecht kan ontlenen. De vervolgvraag is dan welk gevolg dit afgeleide verblijfsrecht heeft voor een eventueel recht op bijstand van de derdelander. In de eerder aangehaalde uitspraak van de Rechtbank Arnhem (Rechtbank Arnhem 10-07-2012, nr. AWB 11/5567, ECLI:NL:RBARN:2012:BX3418) oordeelde de rechter dat een op dat geval afgestemde wetstoepassing meebrengt dat de derdelander recht had op bijstand naar de norm van een alleenstaande ouder op grond van artikel 16 lid 1 WWB. Dit is volgens ons – aan de hand van de huidige stand van rechtspraak - niet juist. 

Zoals eerder opgemerkt oordeelde de Hoge Raad in aansluiting hierop in de eerder aangehaalde uitspraak over kinderbijslag dat het verblijfsrecht rechtstreeks voortvloeit uit het VWEU en dat de alleenstaande oude/derdelander rechtmatig verblijf heeft als gemeenschapsonderdaan. Voor het recht op bijstand betekent dit dat de derdelander wordt gelijkgesteld met een Nederlander en niet is uitgesloten van de kring van rechthebbenden (artikel 11 lid 2 Participatiewet). Dit betekent dat de derdelander een ongeclausuleerd recht heeft op bijstand mits hij voldoet aan de overige reguliere voorwaarden voor het recht op bijstand. De constructie dat belanghebbende uitsluitend op grond van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16 Participatiewet recht heeft op bijstand omdat sprake is van een van het kind afgeleid verblijfsrecht is dan niet juist, aangezien belanghebbende in de uitzonderingssituatie juist zelf behoort tot de kring van rechthebbenden. 

Naar boven


Overige uitspraken

CRvB 25-07-2017, nr. 16/4548 PW

De Participatiewet biedt geen grondslag voor afwijking van de kostendelersnorm op de grond dat toepassing ervan leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Het enkele feit dat een belanghebbende zorg verleent aan een medebewoner kan niet leiden tot afwijking van de kostendelersnorm met toepassing van artikel 18 lid 1 Participatiewet.

CRvB 18-07-2017, nr. 15/6752 WWB

Het Boetebesluit socialezekerheidswetten, zoals dit luidt per 1 januari 2017, voorziet niet (meer) in afronding van de boete naar boven op een veelvoud van € 10,-.

Als een belanghebbende beschikt over een inkomen uit arbeid dat de bijstandsnorm ruim overschrijdt, geven zijn financiële omstandigheden geen aanleiding om de boete verder te matigen wegens verminderde draagkracht.

CRvB 13-06-2017, nr. 14/5497 WWB

Het benadelingsbedrag kan in beginsel worden gesteld op het netto bedrag dat het college wegens schending van de inlichtingenplicht heeft teruggevorderd of zou kunnen terugvorderen. Dit neemt niet weg dat er onder omstandigheden aanleiding kan zijn om het benadelingsbedrag op een ander bedrag vast te stellen.

CRvB 18-07-2017, nr. 16/7784 PW

Als een beschikking tot onderbewindstelling is gegeven, dan moet het college er bij het beoordelen van een aanvraag voor bijzondere bijstand vanuit gaan dat dat bewind noodzakelijk is.

Als een beschikking tot onderbewindstelling is gegeven, dan is het bewind voor belanghebbende de meest passende en adequate voorziening.

Naar boven


Verzoek om toezending rechtbankjurisprudentie

Wij roepen alle lezers van deze nieuwsbrief op om ons relevante Participatiewet-uitspraken van rechtbanken toe te zenden. Deze worden namelijk lang niet allemaal gepubliceerd via www.rechtspraak.nl.

Vermelding van uitspraken in deze nieuwsbrief geschiedt altijd anoniem, dus zonder weergave van de namen van partijen.

Bij voorbaat dank voor uw medewerking!

Naar boven


Colofon

Uitgever

Deze nieuwsbrief is een uitgave van Schulinck.

Integrale teksten aangehaalde uitspraken

De integrale teksten van de in deze nieuwsbrief besproken rechterlijke uitspraken van de Centrale Raad van Beroep zijn te raadplegen via de internetversie van Schulinck Grip op Participatiewet. Daarnaast worden vrijwel alle uitspraken ook gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

Redactie

mr. Josan van Hoof (hoofdredacteur)
mr. Sacha Brakel
mr. Jeroen van Fessem
mr. André Pepers
mr. Lance op den Camp (eindredacteur Participatiewet)
mr. Carin Lennertz
mr. Koen Mestrom
Sander Meulendijks

Redactie-adres

Schulinck
Hulsterweg 82
5912 PL  Venlo
Tel. 077 - 475 8018
Fax 077 - 475 8019
Web: www.schulinck.nl
E-mail: info@schulinck.nl

Copyright

© 2017, Schulinck. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Schulinck.

Disclaimer

Aan de totstandkoming van deze uitgave is de uiterste zorg besteed. Voor informatie die niet dan wel onvolledig of onjuist is opgenomen aanvaarden de auteurs en de uitgever geen aansprakelijkheid.

Naar boven