Deze uitspraak benadrukt nog maar eens dat gemeenten altijd zorgvuldig onderzoek moeten doen voordat zij een Wmo-besluit nemen. Zomaar afwijzen omdat iemand aanspraak maakt op een andere wet, is niet mogelijk. Dat kan pas als vaststaat dat een voorziening vanuit de Wmo niet (meer) nodig is. Het kan namelijk zo zijn dat die andere wet niet volledig in de hulpvraag voorziet. Omdat gemeenten de bevoegdheid hebben om dan vanuit de Wmo bij te springen, moet altijd onderzocht worden of dit nodig is.
In lijn met eerdere CRvB-jurisprudentie
Dat gemeenten altijd moeten onderzoeken of zij van hun bevoegdheid gebruik moeten maken is op zich niet nieuw. In verschillende uitspraken over de afbakening tussen de Wlz en de Wmo is dat voor het Wmo/Wlz-vraagstuk al bevestigd (zie bijvoorbeeld CRvB 19-12-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3933, m. nt. mr. C.W.C.A. Bruggeman en CRvB 19-12-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:4226, m. nt. mr. C.W.C.A. Bruggeman).
Het is niet verrassend dat de CRvB in een zaak die (mede) gaat over de afbakening tussen de Zorgverzekeringswet en de Wmo tot een zelfde conclusie komt. Het zou juist opvallend zijn als de CRvB in dat geval wél tot de conclusie kwam dat extra onderzoek niet nodig is. De Wmo kent namelijk geen bepaling waarmee de verhouding tussen de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Wmo strikt geregeld is (alleen een ‘afstemmingsverplichting’, zie artikel 2.3.5 lid 5 onderdeel b Wmo 2015).
Daarentegen is in de Wmo wél geregeld dat een gemeente een Wmo-voorziening mag afwijzen als een cliënt in aanmerking komt voor de Wlz (namelijk artikel 2.3.5 lid 6 Wmo 2015). Maar zelfs bij afbakeningsvraagstukken tussen de Wmo en de Wlz geldt dus dat de gemeente altijd onderzoek moet doen voordat eventueel afgewezen wordt. De hierboven opgenomen uitspraak is dus volkomen logisch. Hoe kan het dan dat de rechtbank Noord-Holland tot een ander oordeel kwam?
Herziening van eerder toegekend pgb
Een verschil met de zaken over de afbakening tussen de Wmo en de Wlz is dat het hier gaat over een herziening. Aan de cliënt was voor de periode van 1 januari 2018 tot 30 april 2018 een pgb toegekend voor (o.a.) begeleiding. Bij toekenning van het pgb had de gemeente laten weten dat het pgb wordt beëindigd als de cliënt zou worden opgenomen in het Nederlands Astmacentrum Davos (NAD). Enige tijd later bleek dat de cliënt inderdaad bij het NAD verbleef tussen 5 februari 2018 en 30 april 2018, zonder dit bij de gemeente te hebben gemeld. De gemeente besloot daarom het besluit te herzien zodat de cliënt met terugwerkende kracht vanaf 5 februari 2018 geen recht meer had op een pgb. Volgens de gemeente kon de begeleiding vanaf 5 februari namelijk vanuit de Zvw geboden worden, aangezien zijn behandeling bij het NAD vanuit de Zvw betaald werd.
De rechtbank Noord-Holland oordeelt dat dit een terecht besluit is van de gemeente. De cliënt heeft namelijk zijn inlichtingenplicht geschonden door niet te melden dat hij bij het NAD verbleef. Verder was de rechtbank het met de gemeente eens dat de cliënt al voldoende begeleiding kon krijgen vanuit de Zvw (zie voor de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland: ECLI:NL:RBNHO:2019:8359).
Schending inlichtingenplicht?
De rechtbank heeft zijn oordeel kennelijk (mede) gebaseerd op het feit dat sprake was van een schending van de inlichtingenplicht. Uit de uitspraak van de CRvB blijkt echter dat de gemeente dat helemaal niet ten grondslag gelegd heeft aan de herziening. De CRvB gaat daarom alleen in op de vraag of de gemeente hier inderdaad kon concluderen dat de Zvw al voldoende in de hulpvraag kon voorzien en daarom het besluit mocht herzien (op grond van artikel 2.3.10 lid 1 onderdeel b Wmo 2015).
Ook het besluit tot herziening is een ‘bevoegdheid’
De CRvB benadrukt dat wanneer sprake is van een herziening, de bewijslast op de gemeente rust. Het is dus aan de gemeente om aan te tonen dat aan de voorwaarden voor herziening voldaan is. Verder is van belang dat een gemeente nooit verplicht is om een besluit te herzien. De herzieningsbepaling in de Wmo is namelijk een zogenaamde ‘kan-bepaling’ (zie artikel 2.3.10 Wmo 2015). De mogelijkheid voor de gemeente om naar eigen inzicht invulling te geven aan die bevoegdheid, betekent dat altijd zorgvuldig onderzocht moet worden hoe van die bevoegdheid gebruik gemaakt moet worden (zoals we ook al zagen in de Wmo/Wlz-jurisprudentie).
De gemeente had dus nadrukkelijk moeten onderzoeken of de Zvw inderdaad wel voldoende in de hulpvraag voorzag. De CRvB concludeert dat uit de stukken niet blijkt dat de gemeente gekeken heeft naar de precieze inhoud en omvang van de begeleiding die vanuit de Zvw geboden kan worden. Alleen al om die reden kan de gemeente volgens de CRvB onmogelijk de conclusie te trekken dat de Wmo-begeleiding niet meer nodig was.
Begeleiding vanuit de Wmo is ook niet hetzelfde als begeleiding vanuit de Zvw. Beide vormen van begeleiding hebben een ander doel. Wmo-begeleiding is gericht op het bevorderen van de zelfredzaamheid en participatie. Begeleiding vanuit de Zvw heeft een medisch doel. In dit geval hing de begeleiding samen met de behandeling in het NAD. Het doel van die begeleiding is dan een zo succesvol mogelijke behandeling. Het is dus niet vanzelfsprekend dat iemand die is opgenomen voor een medische behandeling geen Wmo-begeleiding nodig heeft. Onderzoek naar de vraag of Wmo-begeleiding nodig blijft is dus echt noodzakelijk.
Goed onderzoek bespaart kosten
De uiteindelijke conclusie van dat nieuwe onderzoek kan zijn dat begeleiding vanuit de Wmo inderdaad niet meer nodig was. Dat zou bijvoorbeeld kunnen wanneer blijkt dat de begeleiding vanuit de Wmo alleen nodig is in de thuissituatie. Als dan vaststaat dat de cliënt 24-uur per dag in het NAD verbleef, dan kun je concluderen dat Wmo-begeleiding beëindigd kon worden.
Hoewel de uitkomst na nieuw onderzoek misschien dus niet verandert, is de weg er naar toe dan natuurlijk allerminst ideaal. Voor alle partijen is het uiteraard beter als meteen een zorgvuldig onderzoek gedaan wordt zodat daarmee een hoop tijd en geld bespaard wordt. Hopelijk draagt deze uitspraak dan ook bij aan meer bewustwording bij gemeenten op dit punt. Zelfs als het in eerste instantie lijkt dat een zaak makkelijk afgedaan kan worden, is de kans groot dat toch extra onderzoek nodig is.