Uit deze uitspraak blijkt dat het college geen woonvoorziening hoeft te verstrekken aan een thuiswonende Wlz-cliënt, als de beperkingen ook met de inzet van zorg uit de Wlz-indicatie voldoende kunnen worden gecompenseerd. Voor gemeenten die op zoek zijn naar manieren om de verstrekking van Wmo voorzieningen zoveel mogelijk te begrenzen, is dit goed nieuws. Helemaal vanzelfsprekend was dit naar mijn idee namelijk niet, gelet op de afbakening met de Wlz, het ontbreken van het begrip voorliggende voorziening en de definitie van zelfredzaamheid in de Wmo 2015. Gezien de (overigens beknopte) motivatie van de CRvB is deze uitspraak mogelijk ook wel breder toepasbaar, bijvoorbeeld op ondersteuning die vanuit de Zorgverzekeringswet (Zvw) kan worden geboden. Ik zal dit hieronder uiteenzetten.
Afbakening Wmo 2015 met de Wlz
In de Wmo 2015 is in artikel 2.3.5 lid 6 geregeld dat gemeenten geen maatwerkvoorzieningen hoeven te verstrekken aan cliënten die een Wlz-indicatie hebben. Dit geldt door de nog steeds bestaande overgangsbepaling in artikel 8.6a Wmo 2015 echter niet voor woningaanpassingen en hulpmiddelen voor Wlz-cliënten die thuis wonen. Deze voorzieningen worden op grond van de Wmo 2015 gefinancierd. Deze specifieke bepalingen over de afbakening met de Wlz spelen bij de afwijzing in deze zaak, waarin de thuiswonende Wlz-cliënt de gemeente vroeg om een spoel/föhninstallatie op het toilet, dus ook geen rol. Dit blijkt ook uit het feit dat de CRvB de betreffende artikelen niet noemt in zijn overwegingen. Het feit dat cliënt over een Wlz-indicatie beschikt, maakt in deze situatie op zich dus niet dat de aanvraag voor een woonvoorziening kan worden afgewezen.
Voorliggende voorziening?
Sinds de invoering van de Wmo 2015 is de aanwezigheid van een voorliggende voorziening geen in de wet geformuleerde afwijzingsgrond meer. Een bepaling zoals artikel 2 van de Wmo 2007 ontbreekt. Wel blijkt uit jurisprudentie (zie Rechtbank Noord-Nederland 13-4-2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:1358, m.nt mr. Gertjan Christiaanse) dat ook onder de Wmo 2015 verwacht mag worden dat gebruik gemaakt wordt van een bestaande voorziening waarop aanspraak bestaat. Uit de huidige uitspraak blijkt dat dit dus zo ver gaat dat als de cliënt aanspraak maakt op de inzet van zorgverleners bij bepaalde handelingen, hij niet in aanmerking hoeft te worden gebracht voor een Wmo voorziening waarmee hij deze handelingen weer zelfstandig kan verrichten. Het ontbreken van een bepaling in de Wmo 2015 over het voorliggend zijn van voorzieningen op grond van andere wettelijke bepalingen is in deze situatie geen gemis. Uit de uitspraak blijkt namelijk dat het college zich rechtstreeks kan beroepen op artikel 2.3.5 lid 3 Wmo 2015, door te stellen dat er geen te compenseren beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie meer zijn.
Zelfredzaamheid
Dat de CRvB ook een andere weg had kunnen inslaan, volgt naar mijn idee uit het feit dat, naast participatie, het begrip zelfredzaamheid centraal staat in de Wmo 2015. Zelfredzaamheid betekent in de Wmo 2015 (artikel 1.1.1) het in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden. Algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL) zijn de handelingen die mensen dagelijks in het gewone leven verrichten, met inbegrip van persoonlijke verzorging en dus ook toiletbezoek. Er valt te twisten over de vraag of er bij cliënt geen te compenseren beperkingen in de zelfredzaamheid bestaan nu hij beschikt over een Wlz-indicatie met (zeer intensieve) verzorging. Zou cliënt het toiletbezoek met de spoel/föhninstallatie geheel zelfstandig kunnen uitvoeren (dit blijkt niet helemaal uit de uitspraak), dan levert dit in mijn ogen een grote bijdrage aan zijn zelfredzaamheid. Het is dus maar hoe je “het in staat zijn tot het uitvoeren van” uitlegt. Op basis van deze uitspraak lijkt het er in elk geval op dat het volgens de CRvB niet betekent dat iemand zoveel mogelijk in staat moet worden gesteld om de ADL zélf uit te voeren.
Bredere toepasbaarheid?
In algemene zin voorziet de Wlz in alle noodzakelijke persoonlijke verzorging en begeleiding bij ADL-activiteiten. Ik vraag me daarom af of de uitkomst anders was geweest als cliënt niet over een Wlz-indicatie zou beschikken, maar voor persoonlijke verzorging aanspraak kon maken op de Zvw. Zou cliënt door zijn zorgverzekeraar al in aanmerking zijn gebracht voor persoonlijke verzorging bij het toiletbezoek en daarna een spoel/föhninstallatie bij het college aanvragen, dan is de conclusie naar mijn idee hetzelfde. Ook dan kan gesteld worden dat er geen te compenseren beperkingen meer zijn. Beschikt cliënt nog niet over persoonlijke verzorging vanuit de Zvw, dan is het nog maar de vraag of het college hier naar kan verwijzen. In artikel 2.3.5 lid 5 Wmo 2015 is bepaald dat de maatwerkvoorziening, voor zover daartoe aanleiding bestaat, wordt afgestemd op enige andere wetten, waaronder de Zvw. Uit de Memorie van Toelichting (TK 2013-2014, 33 841, nr. 3, p 150-151) volgt dat het college de cliënt kan wijzen op rechten op grond van andere wetten. Nergens blijkt echter uit dat andere wetten voorliggend zijn. Het zou wel merkwaardig zijn als het voor de beslissing op de aanvraag voor een Wmo maatwerkvoorziening, uitmaakt of cliënt de persoonlijke verzorging al wel of niet heeft aangevraagd. Maar het zou dus interessant zijn als ook hier meer jurisprudentie over volgt.
Slotoverweging
Voorgaande overwegingen zijn geheel vanuit juridisch oogpunt. Vanuit het cliëntperspectief begrijp ik dat het prettig is, zeker als het gaat om persoonlijke verzorging, zo min mogelijk afhankelijk van anderen te zijn. Op de lange termijn zal een woonvoorziening in veel gevallen waarschijnlijk ook goedkoper zijn dan het vergoeden van alle verzorgingsuren. Hiervoor moet echter over de wetten heen gekeken worden en niet alleen vanuit Wmo-perspectief. In deze tijd, waarin de financiën onder druk staan, zullen niet alle gemeenten dit doen en deze uitspraak aangrijpen om geen voorziening te verstrekken.