In deze uitspraak bevestigt de CRvB opnieuw zijn vaste lijn dat de kosten van een smartphone moeten worden aangemerkt als incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Dergelijke kosten dienen uit de bijstandsnorm te worden voldaan, hetzij door reservering, hetzij door gespreide betaling. Het feit dat de belanghebbende aangeeft de smartphone nodig te hebben voor sollicitaties en geen mogelijkheid tot reserveren had, verandert hier niets aan. De CRvB wijst op alternatieven, zoals het gebruik van een computer in de bibliotheek.
Het gemis in de redenering van de CRvB Wat in de uitspraak (en daardoor ook in de motivering) ontbreekt, is een expliciete toets of deze belanghebbende daadwerkelijk had kunnen sparen of lenen voor de kosten van een smartphone. De discussie in de uitspraak gaat niet over of een smartphone noodzakelijk is, maar over de vraag hoe die kosten moeten worden gedragen. Als de CRvB vasthoudt aan het uitgangspunt dat dergelijke kosten uit de norm moeten worden bestreden, ligt het voor de hand dat de CRvB zich beperkt tot de vraag waarom hier wel gespaard of geleend had moeten kunnen worden. Die onderbouwing blijft nu achterwege.
Daarbij rijst de bredere vraag of het nog realistisch is dat mensen op bijstandsniveau de steeds langer wordende lijst van reserverings- en leenbare kosten kunnen opvangen. Het merendeel van deze ‘incidenteel noodzakelijke kosten’ is inmiddels structureel geworden in het dagelijks leven. Het blijft opvallend dat de CRvB vasthoudt aan de traditionele toets zonder de cumulatie van dit soort kosten in ogenschouw te nemen.
De smartphone als noodzakelijke toegangspoort Dat gebrek aan motivering wringt des te meer omdat de CRvB wel stelt dat een smartphone past binnen het 'algemeen gangbaar bestedingspatroon', maar onvoldoende onderkent dat het apparaat inmiddels is uitgegroeid tot een feitelijke noodzakelijke voorwaarde voor de maatschappelijke participatie. De verwijzing naar de bibliotheek als alternatief sluit daarbij niet goed aan op de digitale realiteit. In de uitvoeringspraktijk bestaan echter meer beperkingen:
- Veel digitale overheids- en sollicitatieomgevingen werken met tweestapsverificatie (2FA), waarbij authenticatie plaatsvindt via een sms-code of applicatie op een mobiele telefoon. Zonder eigen smartphone is een bibliotheekcomputer feitelijk onbruikbaar voor het doel dat de CRvB noemt. Dit creëert een cirkelredenering: men wordt verwezen naar een openbare pc die niet toegankelijk is zonder het apparaat waarvoor men bijzondere bijstand aanvraagt.
- Openbare computers en wifi-netwerken brengen potentiële risico’s voor de bescherming van persoonsgegevens met zich mee. Inloggen op systemen zoals DigiD, Werkmap UWV of MijnOverheid via openbare apparatuur kan leiden tot blootstelling van gevoelige gegevens aan derden of aan de beheeromgeving van het netwerk. Deze risico’s kunnen een rol spelen bij de beoordeling van de vraag of het bibliotheekalternatief adequaat en veilig is.
- Bibliotheken zijn niet altijd makkelijk bereikbaar. Veel vestigingen zijn verdwenen of hebben beperkte openingstijden. Voor mensen in buitengebieden of wijken met weinig voorzieningen kunnen de reiskosten en de tijd die het kost om naar hun bibliotheek te gaan hoger zijn dan een goedkoop sim-only abonnement. Het idee van een ‘gratis’ alternatief wordt zo in de praktijk een flinke belemmering.
De vergelijking van een smartphone met een koelkast of wasmachine gaat dus ook niet meer op. In de huidige samenleving functioneert een smartphone als primaire infrastructuur voor participatie. De digitalisering van diensten, zoals bankieren zonder scanner, het gebruik van DigiD-apps en communicatie met scholen of zorgverleners, maakt dat de smartphone niet alleen een communicatiemiddel is maar ook een identificatiemiddel. Het ontbreken ervan leidt niet alleen tot ongemak, maar tot maatschappelijke uitsluiting en het niet kunnen voldoen aan wettelijke verplichtingen zoals de inlichtingenplicht of arbeidsverplichting.
Mogelijke alternatieven binnen het wettelijk kader Tegen deze achtergrond legt de CRvB de verantwoordelijkheid voor digitale middelen wel erg volledig bij de burger. Voor gemeenten betekent dit een spanningsveld: juridisch correct handelen staat tegenover de noodzaak om burgers te laten participeren. Toch kan in individuele gevallen maatwerk worden toegepast. Als de bibliotheek niet bereikbaar is, de reiskosten te hoog zijn of 2FA een blokkade vormt, kan dit een reden zijn om af te wijken. Daarnaast kunnen gemeenten buiten de Participatiewet om oplossingen bieden, bijvoorbeeld via categoriale regelingen of bruikleenconstructies. Daarmee kan worden gewaarborgd dat inwoners ondanks de beperkingen van het wettelijk kader toch volwaardig kunnen deelnemen aan de samenleving.
|