Het tegoed op een bankrekening maakt in beginsel deel uit van het vermogen waarover een belanghebbende kan beschikken. Maar wat als er geld op de bankrekening van de belanghebbende staat dat niet van hem is? Of de bankrekening staat niet alleen op zijn naam, maar mede op naam van een ander? Ook kan het zijn dat een belanghebbende gemachtigd is tot een bankrekening van iemand anders. Deze uitspraak gaat in op enkele van deze vragen. Ik zal deze hieronder bespreken en daar ook andere relevante uitspraken van de CRvB bij betrekken.
Kunnen beschikken over tegoed op bankrekening op naam belanghebbende zelf
Wanneer kan een belanghebbende over het tegoed op een bankrekening beschikken? De CRvB oordeelt dat dit het geval is als hij de mogelijkheid heeft om de bankrekening feitelijk te gebruiken en daarmee in de noodzakelijke kosten van het bestaan kan voorzien. Daarvan is volgens de CRvB in de regel sprake als de bankrekening op naam staat van de belanghebbende. Daarom geldt als uitgangspunt dat het tegoed dat op die rekening staat deel uitmaakt van het vermogen waarover de belanghebbende beschikt of waarover hij redelijkerwijs kan beschikken. Voldoende is dus dat hij de mogelijkheid heeft om over het tegoed op de rekening te beschikken. Zie behalve deze uitspraak bijvoorbeeld ook CRvB 5-12-2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4386 en CRvB 13-6-2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1168.
De bewijslast van het tegendeel rust op belanghebbende
Wie een bankrekening op zijn naam heeft staan wordt voorondersteld daar (redelijkerwijs) over te (kunnen) beschikken. Als de belanghebbende van mening is dat hij (redelijkerwijs) niet over het tegoed op zijn bankrekening kan beschikken, dan is het aan hem om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. De bewijslast komt hierdoor te liggen bij de belanghebbende. Hieronder volgen enkele voorbeelden uit de rechtspraak met betrekking tot de vraag of het tegenbewijs geleverd is.
Belanghebbende slaagt niet in de bewijslast
Op een betaalrekening van een belanghebbende worden voorafgaand aan de aanvraag grote bedragen bijgeschreven. Belanghebbende zegt dat hij een vriend van hem die zijn pinpas kwijt was toestemming heeft gegeven om diens arbeidsloon op zijn rekening te storten. Hij zou het geld van zijn vriend contant hebben opgenomen en aan hem overhandigd. Uit de bankrekening blijkt dat dus niet. De CRvB oordeelt dat belanghebbende door de contante opnames zijn stelling niet op controleerbare en verifieerbare wijze heeft onderbouwd. Het tegenbewijs is dus niet geleverd (zie CRvB 13-6-2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1168).
Belanghebbende slaagt wel in de bewijslast
Een belanghebbende heeft zijn zoon toestemming gegeven om gebruik te maken van zijn bankrekening. Het salaris van de zoon wordt op deze rekening bijgeschreven. Diens vaste lasten worden daarvan afgeschreven. De zoon neemt geld van de rekening op voor zijn levensonderhoud. De rekening staat nog wel op naam van de belanghebbende, maar is gedurende een zekere periode feitelijk helemaal overgegaan naar de zoon. Voor deze periode is belanghebbende in de bewijslast geslaagd (zie CRvB 23-4-2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA0086).
Kunnen beschikken in het geval van een en/of-rekening
Hoe moeten de genoemde uitgangspunten worden toegepast op de onderhavige uitspraak. Daar gaat het om een bankrekening die niet alleen op naam van de belanghebbende staat. Het betreft een niet bij het college gemelde en/of-rekening van belanghebbende en haar moeder. De CRvB oordeelt dat de en/of-rekening op dezelfde wijze moet worden beoordeeld als een bankrekening die alleen op eigen naam staat. De reden daarvan is dat de rekeninghouders zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk over de bankrekening kunnen beschikken. Dus ook in dit geval geldt de vooronderstelling dat ook belanghebbende (redelijkerwijs) over het tegoed van de bankrekening kan beschikken en dat het aan haar is om aannemelijk te maken dat dit niet het geval is. Daarin is belanghebbende niet geslaagd. Belanghebbende beschikte als enige over een bankpas van de rekening en alleen zij nam met die bankpas contant geld op. In lijn met de genoemde uitspraak CRvB 13-6-2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1168 zou je dus kunnen zeggen dat zij haar stelling dat zij alleen geld voor haar moeder heeft gepind niet op controleerbare en verifieerbare wijze heeft onderbouwd. Van contante geldopnames is nu eenmaal niet na te gaan wat daarmee gebeurd is.
Zie in dit verband ook CRvB 7-5-2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1450 en CRvB 20-9-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3480.
Bewijslast college als belanghebbende gemachtigd is tot een bankrekening op naam van een derde
Is de vooronderstelling van redelijkerwijs beschikken en bewijslast van het tegendeel ook van toepassing op de situatie waarin een belanghebbende enkel gemachtigde is voor de bankrekening die alleen op naam staat van een andere persoon? Nee, dat is niet het geval. De CRvB heeft vaker geoordeeld dat het enkele feit dat de belanghebbende gemachtigd is tot de bankrekening van een ander op zichzelf onvoldoende is om aan te nemen dat de belanghebbende beschikte of redelijkerwijs kon beschikken over de tegoeden van die bankrekening. De bewijslast ligt in dat geval bij het college. Het college dient aannemelijk te maken dat het om de middelen van de belanghebbende gaat.
Het college slaagt wel in de bewijslast
Uit de onderhavige uitspraak is deze bewijsregel niet direct af te leiden. De belanghebbende heeft de en/of-rekening later omgezet naar een machtiging van die bankrekening die nu alleen op naam staat van haar moeder. Maar het college heeft wel vastgesteld dat de belanghebbende gedurende de gehele periode (en/of en machtiging) als enige beschikte over een bankpas van de rekening. Zij was en bleef dus de enige die met die bankpas contant geld opnam van de rekening. De situatie bleef ongewijzigd. Daarmee heeft het college voldoende aangetoond dat belanghebbende feitelijk over het tegoed van de rekening bleef beschikken. De omzetting van de en/of-rekening naar enkel een machtiging van de bankrekening van haar moeder had dus voor haar niet het gewenste effect.
Dat de bewijslast in het geval een belanghebbende slechts gemachtigd is tot een bankrekening bij het college ligt, blijkt expliciet uit CRvB 11-7-2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1302. Belanghebbende was in die uitspraak gemachtigd tot de betaalrekening van zijn moeder. Uit de bankafschriften blijkt dat hij die rekening feitelijk voor zichzelf gebruikte. Van die rekening werden bedragen overgeschreven naar zijn eigen bankrekening. Ook vaste lasten van hem werden door hem betaald vanaf de rekening van zijn moeder. Dat het slechts gaat om bedragen die hij eerder aan bijstand heeft ontvangen is niet inzichtelijk geworden. De CRvB oordeelt dat hij hierdoor redelijkerwijs over de bankrekening van zijn moeder kon beschikken. Het saldo van deze rekening van zijn moeder was samen met dat van zijn eigen rekening hoger dan de vermogensgrens. Hierdoor heeft het college de aanvraag om bijstand terecht afgewezen.
Zie ook CRvB 9-1-2024, ECLI:NL:CRVB:2024:25 waarbij het eveneens ging om een machtiging tot de bankrekening van moeder. Belanghebbende maakte feitelijk gebruik van deze bankrekening zonder daarvan melding te maken aan het college. De bankafschriften laten een groot aantal kasopnames zien van aanzienlijke omvang. Dit kon zij onvoldoende verklaren, temeer daar haar moeder in een verzorgingshuis verbleef en dus niet veel kosten had. De CRvB oordeelt in dit geval dat het recht op bijstand niet vastgesteld kon worden en daarom terecht is ingetrokken.
Het college slaagt niet in de bewijslast
In de al wat oudere uitspraak CRvB 15-4-2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD0546 oordeelde de CRvB dat het te ver ging om enkel op grond van de machtigingen aan te nemen dat belanghebbende redelijkerwijs over de bankrekeningen van haar in het buitenland wonende zus kon beschikken. In de beoordelingsperiode zijn namelijk in het geheel geen overboekingen gedaan of bedragen opgenomen.
Zie voor een ander voorbeeld CRvB 19-11-2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2486 (nog gemachtigd tot bankrekening van niet meer bestaande VOF, geen vennoot meer en ook geen transacties meer verricht met betrekking tot deze rekening).
Het tegoed op de bankrekening is vermogen
Ik wil tot slot nog het volgende opmerken. In r.o. 1.3 van de uitspraak wordt vermeld dat de bedragen die belanghebbende voor haar eigen levensonderhoud heeft gebruikt in mindering zijn gebracht op de bijstand. De CRvB overweegt in r.o. 4.5.3. (eerste zin) terecht dat het tegoed op de bankrekening indien en voor zover die (mede) op naam van de belanghebbende staat als vermogen moet worden gezien. Dan moet je dat tegoed toetsen aan de vermogensgrens en het recht op bijstand intrekken voor zover de vermogensgrens wordt overschreden. Dan kun je de bedragen niet zonder meer op de bijstand in mindering brengen alsof het inkomsten zijn. Vergelijk de al genoemde uitspraak CRvB 9-1-2024, ECLI:NL:CRVB:2024:25. De CRvB gaat op dit punt niet verder in. Maar de belanghebbende heeft daarover ook niets aangevoerd.
Conclusie
De uitspraak is in lijn met vaste rechtspraak. Het college toont voor zover vereist aan dat belanghebbende feitelijk gebruik heeft gemaakt van de bankrekening van haar moeder voor het eigen levensonderhoud. Aan de hand van de verklaring van belanghebbende (elke week € 70,- contant van rekening moeder opgenomen voor boodschappen) en de Nibud-normen voor vaste lasten en kleding heeft het college aangetoond dat belanghebbende geacht moet worden een deel van het contant opgenomen geld voor het eigen levensonderhoud te hebben aangewend.