Kostendelers moeten kosten delen, maar ‘mogen’ geen geld overmaken naar de bankrekening van een kostendelende medebewoner. Nou ja, het mag natuurlijk wel, maar dan wordt het ontvangen bedrag gekort op de uitkering.
Deze uitspraak van de CRvB is op zichzelf niks nieuws. Vaste rechtspraak is immers dat als iemand met een bijstandsuitkering geld van derden ontvangt op de bankrekening, dit geld wordt aangemerkt als een middel. Meestal wordt dit gezien als inkomen. En dit inkomen wordt gekort op de uitkering of zoals in dit geval verrekend met de uitkering.
Waarom is deze uitspraak dan toch het bespreken waard? Omdat het schuurt in die zin dat kostendelers geacht worden kosten te delen - dat wordt gezien als een besparing - maar op het moment dat kostendelers deze kosten delen door middel van overboeking naar de bankrekening ter dekking van kosten, dan als uitgangspunt geldt dat dit bedrag volledig wordt gekort. Denk bijvoorbeeld aan een inwonend kind van 27 jaar of ouder die mee eet en geen boodschappen betaalt. In plaats daarvan maakt het kind geld over aan de ouder. Het schuurt dan dat dat overgemaakte geld in principe altijd volledig als inkomen moet worden gezien.
In deze zaak heeft belanghebbende ook gesteld dat de wetgever bij het middelenbegrip hier geen rekening mee heeft kunnen houden, omdat toen de bepaling van de kostendelersnorm nog niet bestond. Deze stelling en de achtergrond van de kostendelersnorm is het bespreken waard. Ik vind namelijk dat er situaties zijn waarin rekening moet worden gehouden met het feit dat kostendelers kosten moeten delen. Het kan dan te kort door de bocht zijn om overboekingen op bankrekeningen als inkomen aan te merken en te korten. Hieronder lees je waarom dat in deze zaak niet geldt. En ik ga in op situaties waarin dat wel kan gelden. Ook bespreek ik of er in de Participatiewet of jurisprudentie niet al uitzonderingen zijn waar gebruik van kan worden gemaakt.
Waar gaat het om in deze zaak?
Belanghebbende woont in een huis samen met zijn moeder, 2 meerderjarige zussen en een meerderjarige broer. Belanghebbende wordt voor de Participatiewet als alleenstaande aangemerkt met 3 kostendelende medebewoners. Hij ontvangt van deze kostendelende medebewoners kleine bedragen over een korte periode op zijn bankrekening. Belanghebbende stelt dat kostendelers die allen een bijstandsuitkering ontvangen vrij bedragen naar elkaar moeten kunnen overmaken. Belanghebbende geeft hierbij aan dat het middelenbegrip van artikel 31 lid 1 Participatiewet dateert van voor de invoering van de kostendelersnorm. De definitie van een middel is volgens belanghebbende ten onrechte niet aangepast aan de later ingevoerde kostendelersnorm.
De CRvB oordeelt dat de wetgever in artikel 31 lid 2 Participatiewet geen uitzondering heeft gemaakt voor middelen die afkomstig zijn van kostendelende medebewoners. Evenmin zijn er volgens de CRvB aanknopingspunten dat de wetgever bij invoering van de kostendelersnorm is vergeten het middelenbegrip aan te passen. En als daar aanleiding voor zou zijn is het aan de wetgever om dit te doen. Ik ben het eens met dit oordeel van de CRvB. Uit de uitspraak blijkt dat belanghebbende de overgeboekte bedragen niet gebruikte voor betaling van vaste lasten. Belanghebbende kon de bedragen dus vrij besteden en gebruiken voor de kosten van zijn dagelijkse levensonderhoud.
Er is geen uitzondering gemaakt en daar was ook geen aanleiding voor. En als het wel wenselijk is om een uitzondering voor kostendelers te maken op het middelenbegrip dan is de wetgever aan zet.
Is er aanleiding voor de wetgever om artikel 31 lid 2 Participatiewet aan te passen?
Dat lijkt niet aannemelijk. Enerzijds, omdat er geen aanknopingspunt is te vinden waaruit blijkt dat de wetgever dit is vergeten bij invoering van de kostendelersnorm. Anderzijds ook niet, omdat bedragen die op de bankrekening worden ontvangen in beginsel vrij te besteden zijn en kunnen worden gebruikt voor het dagelijkse levensonderhoud. Dit is slechts anders als de ontvangen bedragen worden gebruikt ter betaling van de gezamenlijke vaste lasten. Bijdragen van kostendelers zijn geen inkomsten voor zover deze niet de redelijke gezamenlijke vaste lasten overtreffen. Zo oordeelde de rechtbank Rotterdam op 21-4-2021, ECLI:Nl:RBROT:2021:3527 met noot van mr. André Pepers, bijvoorbeeld dat belanghebbende over de bedragen die betrekking hebben op de vaste lasten van haar dochters niet vrijelijk kan beschikken, omdat deze bedragen moeten worden doorbetaald aan de leveranciers. Dit betekent dat de stortingen van de dochters, voor zover dit redelijk geachte gezamenlijke vaste lasten betreffen, niet als inkomsten kunnen worden aangemerkt. Deze bedragen kan belanghebbende niet gebruiken voor haar eigen levensonderhoud. Voor zover de bijschrijvingen van de dochters op de rekening van hun moeder hoger zijn dan de als redelijk aan te merken vaste lasten, is natuurlijk wel sprake van inkomen omdat belanghebbende de bedragen van die bijschrijvingen vrijelijk kan besteden. Hiermee wordt bedoeld dat belanghebbende de evenredige bijdragen in de vaste lasten van de dochters op haar bankrekening niet voor haar eigen levensonderhoud naast de vaste lasten kan aanwenden.
Dat is in deze zaak bij de CRvB anders, omdat belanghebbende zelf expliciet heeft verklaard: “Ik kom af en toe echt niet rond met mijn uitkering, omdat ik schulden heb en dat aan het aflossen ben. Af en toe maken ze wel eens bedragen over zodat ik rond kan komen.” Hieruit blijkt niet dat de bedragen bedoeld zijn om te delen in de vaste lasten, zodat het geld dat is overgemaakt kan worden gebruikt om in het eigen levensonderhoud te voorzien. Op grond van artikel 31 lid 2 Participatiewet zijn dit inkomsten. Deze inkomsten mogen met de uitkering worden verrekend.
Moet de definitie van middel voor kostendelers worden aangepast?
Daar is volgens mij geen noodzaak voor. Gelet op bovengenoemde uitspraak van de rechtbank Rotterdam kan er met evenredige bijdragen van medebewoners aan de vaste lasten voldoende rekening worden gehouden. Betaling van vaste lasten via de rekening van een ander levert ook geen probleem op. Het ongericht overmaken van geld levert wel een probleem op. Dat geld kan worden besteed aan levensonderhoud en is niet uitgezonderd van het middelenbegrip.
Bovendien maakt een extra uitzondering op het middelenbegrip het voor gemeenten in de uitvoering ook niet makkelijker. En bij bijzondere omstandigheden bestaat er nog de mogelijkheid om te individualiseren op grond van artikel 18 Participatiewet.
Welke omstandigheden zijn bij kostendelers nog meer van belang?
De CRvB had mogelijk anders kunnen oordelen als er andere feiten en omstandigheden waren geweest om aan te voeren in deze zaak. Bijvoorbeeld als belanghebbende had kunnen aantonen dat alle ontvangen bedragen evenredige bedragen waren betaald door medebewoners om kosten voor de gezamenlijke vaste lasten zoals huur of energie van te betalen. Ik ga ervan uit dat deze er niet zijn geweest, aangezien ze niet in de uitspraak zijn genoemd.
Aanpassing van artikel 33 lid 4 Participatiewet?
Ook kan de bepaling van artikel 33 lid 4 Participatiewet bij kostendelers een rol spelen. Deze bepaling ziet echter alleen op de situatie dat er lagere (algemeen noodzakelijke) kosten zijn doordat er sprake is van meerdere huurders, onderhuurders of kostgangers, waarmee nog geen rekening is gehouden bij vaststelling van de kostendelersnorm. Zie artikel 22a Participatiewet. In de praktijk wordt deze bepaling nogal eens verkeerd gebruikt. Feitelijk is deze bepaling alleen bruikbaar als er sprake is van een huurder, onderhuurder of kostganger zonder dat er sprake is van een commerciële relatie én er dus – ondanks een vermoedelijke lage bijdrage aan huur of kostgeld (want er is geen commerciële relatie) – nog sprake is van een gedeelte waarmee nog geen rekening is gehouden bij toepassing van de kostendelersnorm.
Zie ook de opinie van mr. Juul Jeurissen over de dubbele kostendelersnorm.
In deze opinie wordt gesteld dat artikel 33 lid 4 Participatiewet in feite overbodig is, omdat de norm al kan worden afgestemd met artikel 18 lid 1 Participatiewet. Daar ben ik het mee eens. Voor toepassing van artikel 18 lid 1 Participatiewet moet er wel sprake zijn van bijzondere omstandigheden. Dus belanghebbende moet echt hogere kosten hebben of tekort komen.
Het is in de situatie van kostendelers van belang dat er goed wordt gekeken naar alle feiten en omstandigheden. Voor zover het delen van kosten is verdisconteerd in de kostendelersnorm hoeft en mag daar naar mijn mening ook niet dubbel rekening mee worden gehouden. Door middel van afstemming kan er bij bijzondere omstandigheden voldoende maatwerk worden geleverd.