In deze zaak staat wederom de vraag centraal of belanghebbende de inlichtingenplicht of de medewerkingsplicht heeft geschonden. Dit keer gaat het om een belanghebbende met een IOAW-uitkering waarvan het college de uitkering heeft ingetrokken en teruggevorderd. Belanghebbende heeft niet de gegevens verstrekt waar het college om heeft gevraagd. Maar hoe verhoudt de inlichtingenplicht zoals we die kennen in de Pw zich eigenlijk tot de IOAW en IOAZ?
In lijn met de rechtspraak PW
Eerst nog even kort terug naar de uitspraken van 12 juli 2022 en 2 augustus 2022.[1] In deze uitspraken oordeelde de CRvB dat het niet inleveren van bankafschriften of andere bewijsstukken geen schending van de inlichtingenplicht uit artikel 17 lid 1 Pw oplevert. Geconcludeerd wordt dat het niet inleveren van bewijsstukken een schending oplevert van de medewerkingsplicht uit artikel 17 lid 2 Pw. Bewijsstukken zijn namelijk geen inlichtingen, maar dienen ter verificatie van gegevens en verdenkingen. Op zichzelf staand zijn bewijsstukken niet van belang voor het recht op bijstand.
De inlichtingenplicht in de IOAW
De IOAW kent in artikel 13 dezelfde inlichtingenplicht als de Participatiewet. In deze zaak geeft de CRvB dan ook aan dat de inlichtingenplicht in de IOAW dezelfde betekenis heeft als in de Pw. Hiervoor zijn 2 redenen:
1. De overeenkomende bepalingen in de IOAW en Pw, en;
2. Het ontbreken van aanwijzingen voor een andere uitleg in de wetsgeschiedenis van de IOAW.
Bij de beoordeling of er sprake is van de inlichtingenplicht of medewerkingsplicht moet dan ook worden aangesloten bij bovengenoemde uitspraken van 12 juli 2022 en 2 augustus 2022. Hierdoor had het college op grond van artikel 17 lid 3 IOAW de uitkering in deze zaak alleen kunnen intrekken per de datum dat belanghebbende in verzuim is door de gegevens niet te verstrekken. En niet per eerdere datum omdat over die periode niet alle gevraagde gegevens of bewijsstukken voorhanden zijn.
De inlichtingenplicht in de IOAZ
De wetsgeschiedenis van de IOAZ
Hoe zit het dan met de IOAZ? De IOAZ kent in artikel 13 namelijk precies dezelfde inlichtingenplicht als artikel 13 IOAW en artikel 17 Pw. Mijn eerste en concluderende reactie is dat deze uitspraak ook doorwerkt in de IOAZ. Toch begon ik te twijfelen bij het lezen van de Memorie van toelichting van de IOAZ. Hierin staat namelijk het volgende over de inlichtingenplicht:
“Dit artikel regelt het verstrekken van inlichtingen door de gewezen zelfstandige en de echtgenoot. De betrokkene is in de eerste plaats verplicht al die inlichtingen te verstrekken die voor het recht op uitkering relevant zijn.
Gedacht kan worden aan het overleggen van de vereiste boekhoudverslagen, verklaringen van de Kamer van Koophandel e.d. Daarnaast legt dit artikel vast de verplichting voor de betrokkene om – gevraagd dan wel ongevraagd – gedurende de gehele uitkeringsperiode melding te maken van al datgene wat van invloed kan zijn op de feitelijke hoogte of de duur van de uitkering en het naar uitkeringscategorie te hanteren bedrag van de uitkering.”[2]
Boekhoudverslagen en verklaringen van de Kamer van Koophandel worden als voorbeelden genoemd van de inlichtingenplicht. Dit zijn op basis van de nieuwe lijn in de rechtspraak juist typische bewijsstukken die onder de medewerkingsplicht vallen. Het gaat immers om stukken die ter verificatie dienen van gegevens en verdenkingen. Het zijn geen inlichtingen die op zichzelf van belang zijn voor het recht op bijstand.
In tegenstelling tot de IOAZ, benoemt de IOAW in de Memorie van Toelichting geen bewijsstukken als voorbeeld van de inlichtingenplicht. De CRvB stelt in deze uitspraak dan ook terecht dat in de wetsgeschiedenis aanwijzingen ontbreken voor een andere uitleg van de inlichtingenplicht. Werkt deze uitspraak dan wel door in de IOAZ?
De wetgever koppelt vaker bewijsstukken aan de inlichtingenplicht
Ik denk van wel. Het is namelijk niet de eerste keer dat de wetgever het inleveren van bewijsstukken in samenhang met de inlichtingenplicht noemt. Zo staat in de Memorie van Toelichting van de Wet Werk en Bijstand bijvoorbeeld:
“Het feit dat burgermeester en wethouders niet alleen bij een aanvraag om bijstand of om ondersteuning bij arbeidsinschakeling, […], laat onverlet dat de belanghebbende onverwijld uit eigen beweging inlichtingen dient te verstrekken indien het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat die feiten en omstandigheden, of de daarin opgetreden wijzigingen, van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of zijn recht op bijstand. Verstrekt de belanghebbende niet of niet alle gevraagde inlichtingen en bewijsstukken, dan heeft dat gevolgen voor de beoordeling door burgemeester en wethouders van het recht op bijstand of ondersteuning bij arbeidsinschakeling”[3]
De wetgever heeft bij de Pw ook bewijsstukken gekoppeld aan de inlichtingenplicht, maar toch heeft de CRvB bepaalt dat bewijsstukken onder de mededelingsplicht vallen.[4] In zoverre denk ik dan ook niet dat de genoemde voorbeelden in de Memorie van Toelichting van de IOAZ zullen leiden tot een afwijkende lijn in de rechtspraak.
De letterlijke wettekst overtuigt meer dan de wetsgeschiedenis
De CRvB hecht overduidelijk meer waarde aan de letterlijke wettekst van de inlichtingenplicht en de medewerkingsplicht. Dit is terug te zien in rechtsoverweging 4.8.2. van deze uitspraak. Hierin geeft de CRvB aan dat het onderscheid tussen de inlichtingenplicht en medewerkingsplicht is terug te vinden in de wettekst. Zo wordt in artikel 14 IOAW een onderscheid gemaakt tussen ‘gegevens ten behoeve van de verlening van de uitkering dan wel de voortzetting daarvan’ en ‘bewijsstukken’ en in artikel 17 lid 1 IOAW een onderscheid gemaakt tussen ‘van belang zijnde gegevens’ en ‘gevorderde bewijsstukken’. Deze artikelen gaan daarbij juist over het verstrekken van gegevens en het opschorten van de uitkering bij het niet verstrekken van gegevens of gevorderde bewijsstukken. De inlichtingenverplichting uit artikel 13 IOAW heeft daarentegen alleen betrekking op het mededeling doen van feiten en omstandigheden die van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering. De IOAZ heeft deze zelfde bepalingen. Gelet op de overeenkomende wettekst in de IOAZ kan dit standpunt vervolgens één op één worden overgenomen.
En dezelfde overweging vind je ook terug in rechtsoverweging 4.5.5. van de Pw-uitspraak van 12 juli 2022.
Conclusie
Al met al is de lijn rondom de inlichtingenplicht vorig jaar gewijzigd in de Pw en nu ook in de IOAW. Kunnen we deze nu ook doortrekken naar de IOAZ? Ja, ik zie het niet anders dan dat deze lijn ook geldt voor de IOAZ. Dit is naar mijn mening ook de enige juiste ontwikkeling. Dit baseer ik op de wettekst, jurisprudentie en de Memorie van Toelichting. Maar eigenlijk spelen ook de huidige ontwikkelingen rondom de menselijke maat en het in balans brengen van de Participatiewet een rol. Want het intrekken en terugvorderen van een uitkering over een lange periode heeft wel erg verstrekkende gevolgen als dit slechts gebaseerd is op een vermoeden, toch?