In artikel 15 Participatiewet staat: “Geen recht op bijstand bestaat voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Het recht op bijstand strekt zich evenmin uit tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt.”
De tweede volzin speelt in deze zaak aangezien de voorliggende voorziening de kosten niet vergoedt en dus de vraag wordt behandeld of de voorliggende voorziening deze kosten als niet noodzakelijk aanmerkt.
Een voorliggende voorziening die kosten niet vergoedt
Een voorliggende voorziening die bepaalde kosten niet vergoedt, is volgens deze bepaling alleen een passende en toereikende voorliggende voorziening die aan bijstandsverlening in de weg staat als de kosten in die voorziening worden gezien als niet noodzakelijk. Worden de kosten om een andere reden niet vergoed, bijvoorbeeld om budgettaire redenen, dan is er geen sprake van een passende en toereikende voorliggende voorziening. artikel 15 Participatiewet staat dan niet aan bijstandsverlening in de weg.
Deze zaak gaat er eigenlijk over op welke manier het voorgaande moet worden getoetst. De rechtbank volgt de vaste rechtspraak in 2 uitspraken niet zonder meer.[1]
Rechtspraak CRvB
De CRvB gaat in zijn rechtspraak er volgens mij ook vanuit dat als een voorziening bepaalde kosten niet vergoedt deze voorliggende voorziening alleen passend en toereikend is als de voorziening de kosten als niet noodzakelijk ziet.[2] Maar de CRvB lijkt er in principe vanuit te gaan dat als kosten in een voorliggende voorziening niet worden vergoed, er daarmee van kan worden uitgegaan dat een bewuste beslissing is genomen over de noodzaak van het niet vergoeden van de kosten daarvan.[3] Om met Bruggeman te spreken: “ls er enige voorliggende voorziening aan te wijzen, dan dient daar een volledige oplossing nagestreefd te worden. Lukt dit niet, dan wordt hierin de kennelijke bedoeling van de regelgever gezien om een deel van de oplossing voor eigen verantwoordelijkheid/rekening te laten.”[4]
Oordeel rechtbank
De benadering van de CRvB vindt de rechtbank Rotterdam te kort door de bocht. De rechtbank vindt dat de CRvB hiermee de overwegingen die aan de genoemde keuze van de wetgever bij het opstellen van de voorliggende voorziening niet onderzoekt.
Twee zaken
In een tweetal zaken oordeelt de rechtbank dat de voorliggende voorziening geen passende en toereikende voorliggende voorziening is. In de onderhavige uitspraak gaat het om een aanvraag om woonkostentoeslag voor een onzelfstandige woonruimte waarvoor de Wet op de huurtoeslag volgens de rechtbank niet kan worden gezien als een passende en toereikende voorliggende voorziening. In Rechtbank Rotterdam 15-7-2024, ECLI:NL:RBROT:2024:6494 gaat het om bijzondere bijstand voor tandartskosten (het plaatsen van een kroon, afgewezen). De Zorgverzekeringswet is daarvoor geen passende en toereikende voorliggende voorziening.
Onderhavige uitspraak
De rechtbank geeft in de onderhavige zaak aan dat uit de wetsgeschiedenis niet heel duidelijk blijkt dat de wetgever de kosten buiten de voorziening heeft gelaten omdat de kosten niet noodzakelijk zijn. De rechtbank ziet veeleer praktische, uitvoeringstechnische en budgettaire overwegingen.
Daarbij neemt de rechtbank bovendien mee dat de wetgever in het kader van de voorliggende voorziening niet in het bijzonder hoeft stil te staan bij de vraag of een bepaalde keuze over vergoeding van kosten aanvaardbaar is voor mensen die een inkomen op bijstandsniveau hebben. Dit gelet op de doelstellingen van die wet.
De rechtbank vindt het onjuist dat als de wetgever geen afweging heeft gemaakt die is toegesneden op de positie van mensen met een inkomen op bijstandsniveau er zonder meer vanuit te gaan dat de voorliggende voorziening de kosten niet noodzakelijk vindt.
Wat als de bedoeling van de wetgever niet duidelijk is
Ik volg de rechtbank voor zover de bedoeling van de wetgever duidelijk uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid. Maar dit is niet altijd zo duidelijk. Moet dan in die gevallen er van worden uitgegaan dat de wetgever de kosten niet noodzakelijk vindt? Of kun je dat daaruit juist niet afleiden? En wat als aan de keuze om bepaalde kosten niet of niet geheel te vergoeden in de voorliggende voorziening gelegen is in zowel budgettaire redenen als noodzakelijkheidsredenen?
Dat is een lastige kwestie naar mijn mening. Punt is dat er weinig ruimte lijkt voor een middenweg wanneer de keuze van de wetgever niet heel duidelijk blijkt uit de wetsgeschiedenis in de voorliggende voorziening. De analyse van de rechtbank leidt er mijns inziens toe dat je in veel gevallen de weg openzet naar bijstandsverlening. Wat de voorliggende voorziening niet vergoedt kan daarmee makkelijker door de bijstand worden vergoed. De vaste rechtspraak van de CRvB leidt er aan de andere kant toe dat als de voorliggende voorziening geen totaaloplossing biedt de bijstand dat ook niet kan doen waarmee de bijstand, een heel uitgesproken maar ook rigide karakter heeft. De bijstandsverlening biedt dan bijna nooit een oplossing als de voorliggende voorziening geen totaaloplossing biedt.
Wetsgeschiedenis: bewuste beslissing
Op grond van de wetsgeschiedenis is zeker iets te zeggen voor de benadering voor de rechtbank. De wetsgeschiedenis laat doorschemeren dat voor toepassing van artikel 15 lid 1 tweede volzin Participatiewet het nodig is dat de wetgever een bewuste beslissing neemt over de noodzakelijkheid van de voorziening. Het ervan uitgaan dat de kosten niet noodzakelijk zijn, ook al blijkt dit niet uitdrukkelijk uit de toelichting, lijkt daarmee op gespannen voet te staan. Maar toegegeven moet worden dat de wetsgeschiedenis hierover niet heel duidelijk is.
Zie TK 2002–2003, 28 870, nr. 3, p. 46: “Inkomensaanvulling op grond van deze wet is niet aan de orde wanneer binnen een voorliggende voorziening (artikel 5, onderdeel f) een bewuste beslissing is genomen over de noodzakelijkheid van een voorziening in het algemeen of in een specifieke situatie. Budgettaire overwegingen om bepaalde kosten niet in de voorliggende voorziening op te nemen of overwegingen ten aanzien van de vaststelling van de reikwijdte van de voorliggende voorziening, vallen hier dus niet onder. Of een voorziening gezien haar aard en doel, passend en toereikend is, is afhankelijk van de omstandigheden en mogelijkheden van het individuele geval, en wordt mede bepaald door hetgeen naar maatschappelijk inzicht aanvaardbaar wordt geacht.”
Maar ook TK 1995-1996, 24 772, nr. 3, p. 9: “Evenals onder de huidige wet geldt als uitgangspunt nog steeds dat de Abw geen functie heeft wanneer binnen de voorliggende regeling een bewuste beslissing is genomen over de noodzakelijkheid van een voorziening in het algemeen of in een specifieke situatie: indien op het betrokken beleidsterrein op grond van een dergelijk noodzakelijkheidsoordeel de keuze is gemaakt om één of meer kostensoorten niet in de voorziening op te nemen, of om de voorziening in een bepaalde concrete situatie niet noodzakelijk te achten, dan dient de Abw zich bij die keuze aan te sluiten en komt men ten aanzien van die kosten niet voor bijstandsverlening in aanmerking. Het is evenwel ook denkbaar dat men op het betrokken beleidsterrein op zichzelf genomen de noodzakelijkheid van een voorziening wel onderschrijft, maar dat om andere redenen, bijvoorbeeld budgettaire, niet tot hulpverlening of tot (volledige) vergoeding ervan wordt overgegaan. Alsdan kan de Abw uitkomst bieden.”
Meewegen situatie inkomen op bijstandsniveau
Of de rechtbank meeweegt dat de wetgever bij het opstellen van de voorliggende voorziening niet heeft stilgestaan bij de vraag of het niet vergoeden van de kosten aanvaardbaar is voor mensen met een inkomen op bijstandsniveau, rijmt niet met voornoemde wetsgeschiedenis. Daarbij meen ik dat alleen beoordeeld moet worden of de kosten noodzakelijk zijn. En zijn die dat niet, dan zijn die ook niet noodzakelijk voor mensen met een inkomen op het sociaal minimum.
ECLI:NL:RBROT:2024:6494: gemis aan argumenten
In ECLI:NL:RBROT:2024:6494 lijkt de rechtbank het argument dat de wetgever voor de groep mensen met een inkomen op bijstandsniveau geen afweging heeft gemaakt bij het niet meer in de basisverzekering vergoeden van bepaalde tandartskosten, zwaar te laten wegen. Daarbij overweegt de rechtbank dat de Participatiewet voorziet in categoriale bijstand voor deelname aan een collectieve aanvullende zorgverzekering. Daaruit zou dan moeten volgen dat de wetgever heeft gezien dat het basispakket niet in alle situaties een passende en toereikende voorliggende voorziening is. De rechtbank neemt daarbij mee dat het college in die zaak ook bijstand toekent voor deelname aan een collectieve aanvullende ziektekostenverzekering. Met deze redenatie heb ik moeite. Volgens de wettekst van artikel 15 Participatiewet en de wetsgeschiedenis moet uitsluitend worden geoordeeld of de voorliggende voorziening de kosten als niet noodzakelijk aanmerkt. Ik mis argumenten die hierop betrekking hebben (anders dan in de onderhavige waarin de rechtbank wel wijst op de wetsgeschiedenis van de voorliggende voorziening, in dit geval de Wet op de huurtoeslag). De argumenten van de rechtbank in Rechtbank Rotterdam 15-7-2024, ECLI:NL:RBROT:2024:6494 richten zich volgens mij alleen op een specifieke beoordeling vanuit de Participatiewet.
Hoe zal de CRvB naar deze uitspraak kijken?
Ik ben benieuwd hoe de CRvB met zo’n kwestie in de toekomst zal omgaan. De visie hierop heeft in ieder geval grote invloed. Houdt de CRvB vast aan zijn vaste rechtspraak, dan is bijstandsverlening zelden tot nooit bijstandsverlening mogelijk omdat de voorliggende voorziening passend en toereikend is. Verruimt de CRvB de rechtspraak, dan kan dit juist tot het tegenovergestelde leiden. Kosten die in het voorliggend stelsel niet worden vergoed, kunnen voor bijstandsverlening in aanmerking komen, zodra onder andere is voldaan aan de toets van artikel 35 Participatiewet.
Voetnoten
[1] Zie de onderhavige uitspraak maar ook Rechtbank Rotterdam 15-7-2024, ECLI:NL:RBROT:2024:6494.
[2] Zie bijvoorbeeld CRvB 10-10-2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1937.
[3] Zie bijvoorbeeld CRvB 10-10-2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1937.
[4] Zie de annotatie van mr. Kees-Willem Bruggeman bij CRvB 27-03-2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW0304.