Deze uitspraak legt iets van het spanningsveld bloot dat er soms kan zijn tussen de Wet basisregistratie personen (Brp) enerzijds en de Participatiewet (Pw) anderzijds. Adresgegevens zijn van wezenlijk belang voor de uitvoering van de Pw. De Brp is de wettelijke regeling die regels stelt omtrent dergelijke gegevens. Hoe verhouden beide wettelijke regimes zich tot elkaar?
Het college van de gemeente in geding heeft een besluit genomen als bedoeld in artikel 2.22 Brp, ofwel een ambtshalve aanpassing van de geregistreerde gegevens. In het besluit inzake de Brp-inschrijving is – naar mijn mening enigszins vaag – aangegeven dat de “bijhouding van de persoonslijst (…) met ingang van 27 februari 2015 [is] opgeschort”. Korte tijd na dit besluit is vervolgens het recht op bijstand opgeschort, eveneens met ingang van 27 februari 2015. Dit bijstandsbesluit is aangetekend verzonden. Er was echter niemand thuis en het stuk is ook niet opgehaald. Bij opvolgende besluiten is het recht op bijstand vervolgens ingetrokken en het bijbehorende bedrag teruggevorderd. Tot slot is een boete opgelegd. Zoals te doen gebruikelijk een flinke hoop bijstandsbesluiten naar aanleiding van één feit(encomplex) dus, in dit geval nog gelardeerd met een Brp-besluit.
De belanghebbende stelt gewoon nog op het adres te wonen en verwijt het college onvoldoende onderzoek te hebben gedaan. Hoe duidt de Centrale Raad een en ander?
Hij geeft eerst aan dat het woonadres voor de bijstandsverlening bepaald wordt door het hoofdverblijf; dat wordt weer bepaald door de vraag waar iemand het zwaartepunt van zijn persoonlijke leven heeft. Dit laatste wordt beoordeeld aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Ofwel, het gaat het in beginsel niet om een papieren analyse, maar om de vaststelling van feitelijkheden. De Brp-inschrijving is dus niet van doorslaggevende betekenis. Dat is op zichzelf niet nieuw, het is altijd al zo geweest. Sterker nog, bij de vaststelling van verzwegen gezamenlijke huishoudingen (‘samenwoningszaken’) is dit uitgangspunt zelfs de drijvende kracht achter de besluitvorming. Nu gaat het college daarentegen uit van de registratie. Een dergelijke werkwijze is niet per definitie vreemd, want de inschrijving behoort natuurlijk zoveel mogelijk een correcte weergave van de feitelijke situatie te bevatten, waarbij juist bepalingen als artikel 2.22 Brp daarvoor een waarborg beogen te bieden. Niettemin vormen de concrete feiten en omstandigheden het beoordelingscriterium voor de bijstandsverlening en in dit geval is er blijkens de in r.o. 4.5 beschreven voorgeschiedenis van het Brp-besluit teveel twijfel over het standpunt van het college dienaangaande om daaraan conclusie te verbinden voor de bijstandsverlening. Een noodzakelijk geacht nader Brp-onderzoek is namelijk achterwege gebleven.
Betekent dit nu dat Brp-besluiten betekenisloos zijn in het kader van de uitvoering van de Pw? Dat lijkt me een veel te grote stap ineens. Als de Brp op zorgvuldige wijze wordt uitgevoerd, dan zullen de bevindingen dienaangaande doorgaans naar mijn inschatting tevens voldoende concrete feiten en omstandigheden opleveren als in de bijstandsjurisprudentie bedoeld. In dit geval ontbrak het echter aan voldoende zorgvuldigheid. Terzijde zij opgemerkt dat het ook nog maar de vraag is of het Brp-besluit als zodanig ongeschonden de eindstreep zou halen, ware het aangevochten. Anderzijds lijkt het mij redelijk aannemelijk dat een eventueel bevestigend rechterlijk oordeel over een wel aangevochten Brp-besluit als hier aan de orde de Centrale Raad ten aanzien van de bijstandsbesluitvorming tot een ander oordeel zou hebben gebracht. Alsdan zou immers reeds getoetst zijn of het ambtshalve genomen Brp-besluit voldoende onderbouwd was. Nu artikel 2.22 Brp een imperatieve norm bevat is de rechterlijke toets op de uitoefening van de in dit artikel gegeven bevoegdheid vol en niet terughoudend (zie ter adstructie bijvoorbeeld r.o. 4.2 van de ECLI:NL:RVS:2016:3131, de op vele plaatsen gepubliceerde en geannoteerde uitspraak over de nieuwe toetsingslijn in 4:6-zaken), zodat het alleszins aannemelijk is dat een ander bestuursrechtelijk college bij een aldus tot stand gekomen rechterlijk oordeel aansluiting zoekt.
Hier is daarvan allemaal geen sprake, althans daarvan blijkt niets. En dan blijft over dat er een enigszins luchthartig tot stand gekomen Brp-besluit voorligt, waaraan vrij vergaande gevolgen worden verbonden voor de bijstandsverlening, zijnde het sluitstuk van inkomensvoorzieningen in Nederland. Het moge duidelijk zijn dat een dergelijke gang van zaken niet overeind blijft. Daarbij gaat de Raad trouwens wel tamelijk gemakkelijk voorbij aan het feit dat het aangetekend verzonden opschortingsbesluit inzake de bijstand niet is opgehaald; dat is immers wel een contra-indicatie. Maar dit terzijde.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat alle bijstandsbesluiten van tafel zijn. Zoals te verwachten was, is de afdoening door de Raad vervolgens in twee routes te onderscheiden. De reparatoire besluitvorming mag overgedaan (lees: beter onderbouwd) worden door het college. De punitieve besluitvorming in de vorm van boeteoplegging is echter definitief passé, wat volledig in overeenstemming is met de imperatieve finaliseringsopdracht die ter zake aan de bestuursrechter is gegeven in artikel 8:72a Awb (zie ook CRvB 4 september 2018, AB 2018/394, m.nt. C.W.C.A. Bruggeman), in combinatie met het ne bis in idem-beginsel (boeteoplegging valt immers te scharen onder strafrechtelijke vervolging).